Zondag 30 januari 2022 4e zondag door het jaar Lezingendienst
- Link abrufen
- X
- Andere Apps
EERSTE LEZING MET RESPONSORIUM
Uit het boek Genesis 27, 1-29
Jakob wordt door Isaak gezegend.
Isaak was oud geworden en zijn ogen werden zo zwak dat hij niet meer kon zien. Daarom riep hij zijn oudste zoon Esau bij zich en zei: ‘Mijn zoon.’ Hij antwoordde: ‘Wat wilt u?’ Isaak zei: ‘Hoor eens, ik ben een oud man en ik weet niet hoelang ik nog te leven heb. Neem daarom je wapens, je pijlkoker en je boog, ga erop uit en schiet een stuk wild voor mij. Maak dan een smakelijk maal gereed, zoals ik het graag heb, en dien het mij op, zodat ik ervan kan eten; daardoor zal ik de kracht krijgen om je mijn zegen te geven, voordat ik sterf.’
Tijdens dat gesprek van Isaak met zijn zoon Esau had Rebekka staan luisteren. Zodra Esau erop uit was gegaan om een stuk wild voor zijn vader te schieten, zei Rebekka tot haar zoon Jakob: ‘Hoor eens, ik heb je vader tegen je broer Esau horen zeggen: breng mij een stuk wild en maak een smakelijk maal voor mij gereed, zodat ik ervan kan eten; dan zal ik je met het goedvinden van de Heer mijn zegen kunnen geven, voordat ik sterf. Daarom, mijn zoon, moet je luisteren naar wat ik je zeg. Ga naar de kudden en haal daar twee malse geitebokjes; dan maak ik een smakelijk maal voor je vader, zoals hij dat graag heeft. Dat ga je dan aan je vader aanbieden, zodat hij ervan kan eten; daardoor zal hij de kracht krijgen om je zijn zegen te geven, voordat hij sterft.’ Maar Jakob zei tot zijn moeder Rebekka: ‘Dat gaat niet; mijn broer Esau is ruigbehaard en ik helemaal niet. Als vader mij gaat betasten, denkt hij vast dat ik met hem spot, en in plaats van zegen zal ik dan vloek over mij doen komen.’ Zijn moeder antwoordde hem: ‘Jongen, die vloek neem ik op me, luister naar mij en ga de bokjes halen.’
Jakob ging ze dus halen en bracht ze aan zijn moeder; en zij maakte een smakelijk maal gereed, zoals zijn vader het graag had. Daarop haalde Rebekka de beste kleren van haar oudste zoon Esau, die zij in huis bewaarde, en liet haar jongste zoon Jakob die aantrekken. Over zijn handen en zijn gladde hals trok zij de vellen van de geitebokjes. Vervolgens gaf zij het smakelijke maal met het brood dat zij toebereid had haar zoon Jakob in handen.
Die ging naar zijn vader toe en zei: ‘Vader.’ Isaak antwoordde: Ja, wie ben je, mijn zoon?’ Jakob zei tot zijn vader: ‘Esau, uw eerstgeborene; ik heb gedaan wat u mij opgedragen hebt. Ga overeind zitten en eet van mijn wildbraad, dan zult u de kracht krijgen om mij uw zegen te geven.’ Maar Isaak zei tot zijn zoon: ‘Hoe heb je dat wild zo gauw kunnen vinden, mijn zoon?’ Jakob gaf ten antwoord: ‘De Heer, uw God, heeft het op mijn weg gebracht.’
Daarop zei Isaak tot Jakob: ‘Kom eens wat dichterbij, ik wil je betasten, mijn zoon, om te zien of je werkelijk mijn zoon Esau bent.’ Jakob kwam bij zijn vader Isaak staan. Deze betastte hem en zei: ‘De stem is de stem van Jakob, maar de handen zijn de handen van Esau.’ Hij herkende Jakob niet, omdat diens handen even behaard waren als die van zijn broer Esau. Toen was hij bereid hem zijn zegen te geven, en vroeg nog eens: ‘Ben jij werkelijk mijn zoon Esau?’ Hij antwoordde: ‘Dat ben ik.’
Toen sprak Isaak: ‘Dien dan maar op. Ik wil eten van het wildbraad van mijn zoon; dan zal ik de kracht krijgen om je mijn zegen te geven.’ Jakob diende op en zijn vader begon te eten; daarna bracht hij hem wijn en hij dronk. Daarop sprak zijn vader Isaak tot hem: ‘Kom hier, mijn zoon, en kus mij.’ Hij kwam naderbij en kuste hem. Toen Isaak de geur van zijn kleren rook, sprak hij over hem deze zegen uit:
‘Ja, de geur van mijn zoon
is als de geur van een akker
die door de Heer is gezegend.
Dauw van de hemel zal God je geven,
vruchtbare grond, met overvloed van koren en most.
Volken zullen je dienen,
naties voor je buigen;
je moet heersen over je broers,
en de zonen van je moeder moeten voor jou buigen!
Wie jou vervloekt, hij zij vervloekt;
wie jou zegent, hij zij gezegend!’
Gen. 27, 27; 22, 17
De geur van mijn zoon is als de geur van een akker die door de Heer is gezegend; Ik zal u overvloedig zegenen en Ik zal uw nakomelingen talrijk maken.
Dauw van de hemel zal God u geven, vruchtbare grond, met overvloed van koren en most.
Ik zal uw nakomelingen talrijk maken.
TWEEDE LEZING MET RESPONSORIUM
Uit de Constitutie over de liturgie van het tweede Vaticaans Concilie
De persoonlijke aanwezigheid van Christus in zijn kerk.
Christus is altijd bij zijn kerk, vooral in de liturgische vieringen. Persoonlijk is Hij aanwezig in het eucharistisch offer, zowel in de persoon van de bedienaar - dezelfde offert nu door de bediening van de priesters die eertijds zichzelf op het kruis heeft geofferd - als heel bijzonder onder de eucharistische gedaanten.
Persoonlijk is Hij aanwezig door zijn kracht in de sacramenten, zodat wanneer iemand doopt, Christus zelf doopt. Persoonlijk is Hij aanwezig in zijn woord, want Hij spreekt zelf, wanneer de heilige Schrift in de kerk wordt gelezen. Tenslotte is Hij persoonlijk aanwezig wanneer de kerk bidt en psalmen zingt, want Hij heeft beloofd: ‘Waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden’ (Mt. 18, 20).
Voor de voltrekking van dit grote werk waardoor God op volmaakte wijze wordt verheerlijkt en de mensen worden geheiligd, verbindt Christus zich inderdaad altijd met de kerk, zijn geliefde bruid, die haar Heer aanroept en door Hem aan de eeuwige Vader haar eredienst brengt.
Terecht wordt de liturgie dus beschouwd als de uitoefening van het priesterlijk ambt van Jezus Christus. De heiliging van de mens wordt er in waarneembare tekens aangeduid en, op de wijze die aan elk afzonderlijk teken eigen is, tot stand gebracht. De openbare eredienst wordt er in zijn geheel voltrokken door het mystieke lichaam van Christus, dat wil zeggen: door hoofd en ledematen.
Zo is elke liturgische viering, omdat zij het werk is van Christus, de Priester, en van zijn lichaam, de kerk, een bij uitstek heilige handeling die door geen enkel ander handelen van de kerk op gelijke titel en in gelijke mate in krachtdadigheid wordt geëvenaard.
In de aardse liturgie hebben wij bij wijze van voorproef deel aan de hemelse eredienst van de heilige stad Jeruzalem, waarheen wij als pelgrims op weg zijn. Daar ‘zetelt Christus aan de rechterhand van God als de bedienaar van het heiligdom en van de ware tabernakel’ (Kol. 3, 1; Heb. 8, 2; Apok. 21, 2).
Met al de hemelse legerscharen zingen wij er voor de Heer het loflied van zijn heerlijkheid. Wij eren de gedachtenis van de heiligen en hopen op een plaats in hun gezelschap. Wij ‘verwachten de Verlosser, onze Heer Jezus Christus’ (Fil. 3, 20) totdat Hij ‘die ons leven is, verschijnt en ook wij met Hem zullen verschijnen in heerlijkheid’ (Kol. 3, 4).
Krachtens apostolische overlevering, die teruggaat tot de dag zelf van de verrijzenis van Christus, viert de kerk het paasmysterie op iedere achtste dag, die terecht de dag des Heren wordt genoemd. Op die dag immers moeten de christenen samenkomen om naar het woord van God te luisteren en aan de eucharistie deel te nemen en zo het lijden, de verrijzenis en de heerlijkheid van de Heer Jezus te gedenken en God te danken die hen ‘door de opstanding van Jezus Christus uit de dood deed herboren worden tot een leven van hoop’ (1 Petr. 1, 3).
Derhalve is de zondag de meest oorspronkelijke feestdag, die in de aandacht van de gelovigen uitdrukkelijk moet worden aanbevolen, zodat het ook een dag wordt van vreugde en van vrij zijn van arbeid.
Andere vieringen, tenzij deze werkelijk van zeer grote betekenis zijn, mogen geen voorrang krijgen boven deze dag, want hij is de grondslag en de kern van het hele liturgische jaar.
Christus bidt voor ons als onze priester; Hij bidt in ons als ons hoofd; wij bidden tot Hem als onze God. Laten wij dus onze stem in Hem en zijn stem in ons herkennen.
Wanneer wij ons in gebed tot God wenden, mogen wij zijn Zoon daarvan niet scheiden.
Laten wij dus onze stem in Hem en zijn stem in ons herkennen.
- Link abrufen
- X
- Andere Apps
Kommentare
Kommentar veröffentlichen